De socialistische arbeidersbeweging in België is eind 19de eeuw al heel sterk doorgegroeid. Ze kent een brede werking, maar mist een overkoepelende basisideologie. De verkiezingen van 1894 verliepen voor het eerst volgens het stelsel van het meervoudig kiesrecht. Dit betekende voor de Belgische Werkliedenpartij, dat de arbeiders voor het eerst mochten gaan stemmen en dat het voor de partij, tien jaar na haar stichting, mogelijk werd een aantal vertegenwoordigers naar het parlement te sturen.
Met een doctrinair charter wilde men de kiezers het programma van de socialistische partij presenteren. Uit een veelheid van ideeën puurde de Brusselse jurist Emile Vandervelde de stelling, die werd aangenomen op het Paascongres van de partij, te Quaregnon op 25-26 maart 1894, als het Charter van Quaregnon. De tekst formuleert de noodzaak van de klassenstrijd. De socialistische beweging pleit voor collectief verzet tegen het kapitalisme en beoogt de creatie van een socialistische maatschappij. Naast dit ideologisch scherpe standpunt laat men ruimte voor een hervormingsgerichte praktijk. Grof uitgetekend krijgen we een dubbel luik in de socialistische beweging in België: één gericht op de materiële verbetering steunend op de coöperatieve actie, ziekenfonds en vakbondsstrijd en één gericht op de politieke en culturele ontvoogding.
Het Charter van Quaregnon trotseerde, als beginseltekst voor de Belgische socialisten, de tijd en twee wereldoorlogen. Pas na 1979, toen de Belgische Socialistische Partij (BSP) uiteenviel in een Nederlanstalige SP en een Franstalige PS, werd officieel beslist om het charter te verlaten. De tekst ervan werd als achterhaald beschouwd, maar werd nooit vervangen door een gemoderniseerde beginselverklaring. Op dit ogenblik bepalen sp.a en PS hun programma eerder op basis van vrij vage (sociale) waarden en zijn de partijen volledig gericht op werking binnen het geldende systeem.
Rood! onderschrijft nog steeds de basiswaarden die in dit charter worden vooropgesteld, dat we hierbij publiceren, hertaald volgens hedendaags taalgebruik.
1. De natuurlijke rijkdommen van de wereld behoren toe aan alle levensvormen op aarde. De middelen om deze rijkdommen te ontginnen en om producten te vervaardigen die de levenskwaliteit verhogen, zijn het resultaat van de handen- of kennisarbeid van de vorige generaties van de mensheid, zowel als van de huidige generatie. Bijgevolg moeten de productiemiddelen beschouwd worden als het gemeenschappelijke erfgoed van de gehele mensheid.
2. Afzonderlijke mensen of groepen hebben slechts dan het recht om over dit erfgoed te beschikken wanneer dit van algemeen maatschappelijk nut is en uitsluitend met het doel aan elk menselijk wezen zoveel mogelijk vrijheid en welzijn te verschaffen. De natuurlijke rijkdommen dienen verstandig beheerd te worden en alle levensvormen op aarde hierbij met respect bejegend.
3. De vrije markteconomie, die in onze historische periode de wereld overheerst, is een systeem van plundering van rijkdommen en arbeid ten bate van een in aantal zeer beperkte klasse van mensen die zich de productiemiddelen heeft toegeëigend. Dit kapitalistische stelsel verdeelt de maatschappij in twee noodzakelijk vijandige klassen: enerzijds diegene die zonder het verrichten van productieve arbeid van de waarde en meerwaarde van eigendom kan genieten en anderzijds diegene die verplicht wordt om een deel van de voortbrengselen van zijn arbeid aan de bezittende klasse af te staan.
4. De werkers[1] kunnen slechts volkomen vrij worden van materiële behoeften en noden indien de klassen, die de mensheid verdelen, worden afgeschaft door een grondige verandering in de basisstructuren van de maatschappij.
Die verandering zal niet uitsluitend ten voordele zijn van de werkers, maar van de hele mensheid. De complete materiële - en daaruit volgend ook: geestelijke – ontvoogding van de mens is echter strijdig met de onmiddellijke belangen van de bezittende klasse. Deze ontvoogding en volledige vrijmaking zullen daarom enkel kunnen bereikt worden dank zij de actie van de niet bezittende klasse.
5. Op materieel gebied moeten de werkers voor doel hebben zich van het vrije en kosteloze gebruik van alle productiemiddelen te verzekeren. Dit kan slechts bereikt worden in een maatschappij waar het gezamenlijke werk meer en meer in de plaats komt van het afzonderlijke werk, dit wil zeggen door het collectieve of gezamenlijke gebruik van de natuurlijke rijkdommen en de productiemiddelen.
6. De omvorming van het kapitalistische stelsel in een stelsel van gemeenschappelijke uitbating van de productiemiddelen moet in een internationale solidaire beweging van alle werkers en met alle menswaardige politieke en maatschappelijke middelen nagestreefd worden.
7. Het socialisme moet dus de materiële, zedelijke en politieke ontvoogding van alle mensen nastreven. Niettemin moet de materiële omvorming het hoofddoel zijn, want de concentratie van economische kapitalen in de handen van enkelen is de grondslag van al hun andere vormen van overheersing.
Tot de verwezenlijking van deze beginselen verklaart de socialistische partij
1° Dat zij zich beschouwt als de vertegenwoordiger van de werkers en verder van alle verdrukten, zonder onderscheid van nationaliteit, cultuur of geslacht.
2° Dat de socialisten van alle naties solidair moeten zijn, want de ontvoogding van de mens is geen nationaal, maar een internationaal werk.
3° Dat, voor het realiseren van de socialistische samenleving, de onderdrukte klassen moeten strijden met alle middelen waarover zij beschikking hebben, namelijk met de politieke werking, met de ontwikkeling van vrije verenigingen en door de onophoudelijke verspreiding van de socialistische grondbeginselen.
[1] Werker/werknemer/arbeider/bediende, enz…: we verstaan hieronder een persoon die om in zijn levensonderhoud te voorzien gedwongen wordt zijn arbeidskracht aan te bieden op de arbeidsmarkt en die daarbij in concurrentie treedt met lotgenoten die hetzelfde doel nastreven, waardoor zij allemaal in een neerwaartse spiraal terechtkomen en uiteindelijk in een precaire toestand belanden. Zie ook artikel 3.